|
|
|
In het grootste deel
van Europa en Noord-Amerika geldt water als iets vanzelfsprekends. Draai
de kraan open en er stroomt schoon water uit. Draai een afvoerkraan open
en het verdwijnt uit het zicht. Leidingen onder de grond, in muren of
achter kastjes vervoeren het water stil en onzichtbaar. Een rekening en
af en toe een afspraak met de loodgieter zijn wellicht de enige hints
dat water niet zo vanzelfsprekend is als het lijkt.
In
andere delen van de wereld liggen de zaken heel anders. Begin jaren 1990
stroomde er in Trinidad en Tobago slechts 6-12 uur per dag drinkwater
uit de kraan. Gemiddeld eens in de zes dagen viel de hele aanvoer stil.
Een staatsbedrijf verzorgde de waterlevering en de overheid was niet van
zins te veel geld in het systeem te steken.
In
1996 besteedden Trinidad en Tobago de zaak uit aan een Brits consortium,
dat bestond uit Severn Trent Water International en George Wimpey Caribbean
Ltd. Deze bedrijven vervingen lekkende buizen, verouderde hoofdleidingen
en de helft van de elektrische pompen, en verzorgden een stoomcursus voor
nieuw onderhoudspersoneel. In 1997 viel de waterdruk nog maar drie dagen
per jaar weg en de betalingen waren opgelopen van 58 naar 85 procent.
Albert
Fry van de World Business Council for Sustainable Development zegt dat
Trinidad en Tobago een goed voorbeeld zijn van een wereldtrend. Na jaren
van te laag geprijsd water en inefficiënt management gaat de publieke
watersector steeds vaker bij de private sector te rade.
Private
ondernemingen worden ingeschakeld vanwege hun kapitaal, hun technologie
en hun knowhow. Enkele wereldwijd opererende bedrijven - vooral uit Frankrijk
en het Verenigd Koninkrijk - zijn grote spelers geworden en sluiten contracten
die variëren van servicecontracten tot concessies tot volledige overname.
De
Wereldbank schat dat 1,2 miljard mensen geen toegang hebben tot schoon
drinkwater en dat er 2 miljard niet over een goede riolering beschikken.
'Dat is een ernstige zaak,' zegt Jamal Saghir, directeur voor energie
en water van de Wereldbank. 'Het is belangrijk dat we ontwikkelingslanden
helpen hun institutionele kader te veranderen, zodat de waterlevering
en -zuivering op een hoger plan gebracht kunnen worden. Wij staan open
voor deelname van de private sector.'
In
Oost-Europa helpt privatisering landen om een stapje dichter bij toelating
tot de Europese Unie te komen.
Waterbeheer
is altijd gezien als een openbare dienst, zegt Fry. Openbare monopolies
beheerden altijd de watervoorziening en -zuivering en de tarieven bleven
kunstmatig laag - of gratis - zodat iedereen zich water kon veroorloven.
Zonder
eigen inkomsten waren de waterleidingbedrijven afhankelijk van overheidsgelden.
Fry: 'Gewoonlijk wachten ze tot er problemen ontstaan en dan weten ze
niet hoe snel ze bij de overheid moeten aankloppen. De waterbedrijven
moeten nieuwe reservoirs, leidingen en zuiveringsinstallaties aanleggen,
maar er komt pas geld los als de mensen letterlijk op straat sterven.'
Van
Londen tot Atlanta tot Buenos Aires zagen de waterleidingbedrijven geen
kans om hun roestige infrastructuur op een aanvaardbaar peil te houden.
In het Verenigd Koninkrijk liep het lekpercentage soms op tot 50, zegt
Fry. 'Er was geen prikkel om zuinig te zijn met water. In New York idem
dito. Als er een leiding barst stroomt het water over straat, maar niemand
die erom maalt.'
Maar
privatiseer je de zaak, dan is zo'n lek zó gefikst, volgens Fry.
Vanaf 1989 is in het Verenigd Koninkrijk de hele watersector geprivatiseerd.
Het idee van het geheel of gedeeltelijk privatiseren is wereldwijd gemeengoed
aan het worden.
In
de meeste gevallen houden de openbare instanties vast aan hun positie
en sluiten zij contracten met de private sector in ruil voor geldinjecties
om de stelsels te renoveren en te moderniseren. Private bedrijven hebben
keer op keer bewezen dat ze goedkoper en beter functioneren. 'In wezen
gaat het niet om privaat tegenover openbaar,' zegt Fry, 'maar om efficiënt
tegenover inefficiënt.'
Stadscentra,
vooral in de Derde Wereld, zijn de plekken waar modernisering het meest
urgent is. Van Manila tot Bombay tot Rio de Janeiro trekken mensen massaal
naar de stad en naar slecht geplande voorsteden en illegale sloppenwijken.
De
nieuwkomers zijn veelal arm en omdat er geen waterleiding ligt, moeten
ze hun water tegen astronomische bedragen bij een tankauto kopen. In Manila
gaat vaak tweederde van het huishoudgeld op aan water, volgens Ondeo,
een dochteronderneming van Suez (vroeger Suez Lyonnaise Des Eaux) uit
Frankrijk, een van de grootste spelers in de wereldwaterindustrie.
Aan
de andere kant van de wereld is Buenos Aires een klassiek voorbeeld van
de privatisering van het water. De stad is tussen 1950 en 1990 bijna viermaal
zo groot geworden en telt nu 9 miljoen inwoners. Bijna eenderde daarvan
was verstoken van veilig drinkwater.
In
1993 nam een consortium onder leiding van Suez Lyonnaise Des Eaux de drinkwatervoorziening
en riolering voor 30 jaar over. Er zou usd 4 miljard worden geïnvesteerd
in de voornaamste watervoorzieningen. In 1994 had de stad voor het eerst
in 30 jaar geen enkele uitval van de waterleiding. In 1998 hadden 1,6
miljoen mensen - velen in achterstandswijken - voor het eerst de beschikking
over water. De waterkwaliteit nam toe, lekkages namen sterk af en het
water was goedkoper dan in veel andere steden in Argentinië.
Het
blad Fortune noemt Suez 'de pionier van de privatisering'. Van de 30 grootste
steden die sinds medio jaren 1990 contracten hebben afgesloten, kozen
er 20 voor Suez, waaronder Manila, Jakarta, Casablanca, Santiago de Chile
en Atlanta.
De
andere topspeler is eveneens Frans: Vivendi heeft contracten gesloten
met Berlijn, Praag, Boekarest, Almaty, de provincies Bethlehem en Hebron
op de West Bank en andere steden in Europa, China en Maleisië. In
1999 kocht Vivendi us Filter, zodat het concern nu de grootste Amerikaanse
producent is van waterzuiveringsapparatuur.
Thames
Water International - de private wateronderneming in Londen, die sinds
september 2000 een dochteronderneming van het Duitse concern RWE is -
heeft een aantal projecten rond de wereld, waaronder projecten in Indonesië
en Puerto Rico. Een andere grote speler is Azurix, een Anglo-Amerikaanse
onderneming. Azurix trok de aandacht door de overname van een van de grootste
waterleidingbedrijven in Groot-Brittannië, Wessex Water Plc., en
het sluiten van een contract met Rio de Janeiro. Andere grote spelers
zijn International Water, United Utilities en Anglian Water International
uit Engeland, en Suar International uit Frankrijk.
Het
concept is eenvoudig, zegt Richard Heckmann, de directeur van Vivendi
Water op Waterinvestments.com: 'Maak de watervoorziening goedkoop en gemakkelijk
voor de gemeenten. Lever de leidingen, de pompen, de afsluiters. Zorg
voor de installatie, de apparatuur, het geld, de bedrijfsvoering, lever
ze alles wat ze van een waterbedrijf verlangen. Dat hebben we gedaan.'
Dat gaat gewoonlijk via een openbaar/privaat
partnerschap, dat kan variëren van een build-operate-transfer (BOT)
afspraak tot een concessiecontract (zie kader). In ontwikkelingslanden
zijn leningen af te sluiten via multilaterale hulporganisaties zoals de
Wereldbank, de Europese Investeringsbank of de Europese Bank voor Herbouw
en Ontwikkeling (EBRD).
In
de afgelopen vijf jaar heeft de Wereldbank volgens Saghir tot USD 500-700
miljoen per jaar gefourneerd voor water- en zuiveringsprojecten in ontwikkelingslanden.
De ebrd richt zich vooral op Centraal- en Oost-Europa en de staten van
de voormalige Sovjet-Unie, en heeft 38 projecten gefinancierd voor een
bedrag van meer dan 1 miljard euro, zegt Thomas Maier, de adjunct-directeur
van het team voor gemeentelijke en milieu-infrastructuur van de EBRD.
'In
Centraal- en Oost-Europa en in de staten van de voormalige Sovjet-Unie
is tientallen jaren te weinig geïnvesteerd en zijn de openbare voorzieningen
centraal en inefficiënt geleid. Dat heeft veel landen met een ongewenste
erfenis opgezadeld,' zegt Maier.
De
ebrd structureert veruit de meeste eigen investeringsprojecten in de watersector
zonder overheidsgaranties. In de meer ontwikkelde overgangslanden zoals
Polen zijn er ook geen gemeentelijke geldgaranties aan verbonden.
'We
selecteren onze investeringspartners zeer zorgvuldig omdat we een groot
financieel risico lopen,' zegt Maier. 'We werken alleen met waterbedrijven
en gemeenten die actief het concept van een schoon milieu steunen en we
aanvaarden alleen tariefregelingen en zakelijke principes die garanderen
dat waterinvesteringen op een financieel duurzame basis worden gedaan.'
Het
kernwoord is 'duurzaamheid'. De private sector is er alles aan gelegen
om de oude roestige watervoorzieningen weer aan de gang te krijgen. Lukt
dat niet, dan leggen ze nieuwe systemen aan, die tot in de buitenwijken
van de groeiende steden reiken, de massa's van schoon water voorzien en
vuil water verantwoord afvoeren. En intussen verdienen ze er ook nog aan.
© ITT Flygt AB, Solna, Zweden,
2001. Alle rechten voorbehouden.
|
|